Cliëntenraad en een meningsverschil of geschil met de Bestuurder

20 sep Cliëntenraad en een meningsverschil of geschil met de Bestuurder

De cliëntenraad en een meningsverschil of geschil met de bestuurder

Cliëntenraad en meningsverschillen en geschillenAls cliëntenraad kun je een meningsverschil of geschil hebben met de directeur/directie, de bestuurder/Raad van Bestuur of de gemandateerde manager van de organisatie waarvoor je actief bent. Zeker nu er nog niet zo lang geleden een nieuwe wet van kracht is gegaan, komt dit voor. Veel bepalingen in de Wmcz 2018 zijn nieuw of zijn aangepast t.o.v. de oude Wmcz en het is niet altijd even duidelijk wat er wordt bedoeld. Er moet over veel onderwerpen ook nog jurisprudentie ontstaan.

Meningsverschillen kunnen gaan over de medezeggenschap. Bijvoorbeeld over of een onderwerp al- dan niet- advies- of instemmingsplichtig is, over waar de clientenraad precies wel of niet over gaat of over het budget van de clientenraad.

Er kan ook onenigheid zijn over de inhoud van de zorg. Bijvoorbeeld over de kwaliteit of de financiering van de zorg.

En er kan twijfel zijn bij de (centrale) cliëntenraad over het beleid of het bestuur van de organisatie (governance).

In alle geval geldt dat het meningsverschil van invloed is op de zorg aan de cliënten van de organisatie. het is dus van belang over het twistpunt te communiceren en samen tot duidelijkheid en/of een oplossing te komen. Soms lukt dat niet, dan is er sprake van een geschil.

Wat kun je als cliëntenraad en/of als zorgorganisatie doen bij een meningsverschil of geschil en wie betaalt de kosten voor (juridisch) advies en/of bijstand?

De Geschillencommissie

Bij een meningsverschil of geschil over de medezeggenschap kunnen zowel de cliëntenraad als de bestuurder zich wenden tot een Geschillencommissie (Art. 14 Wmcz 2018). Deze commissie kan intern worden opgericht. In dat geval wijst de cliëntenraad 1 tot 2 personen aan, wijst de bestuurder 1 tot 2 personen aan en wijzen deze 2 of 4 mensen een 3e of 5e persoon aan als onafhankelijk voorzitter. De uitspraken van de interne geschillencommissie zijn in principe bindend. Het is niet verplicht om zelf een geschillencommissie op te richten. Zowel de cliëntenraad als de bestuurder kunnen zich ook wenden tot een landelijke Geschillencommissie. Op dit moment is er één landelijke commissie, namelijk de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV). De LCvV  is bemiddelaar en scheidsrechter bij meningsverschillen tussen cliëntenraden en zorginstellingen.

De Geschillencommissie speelt een centrale rol bij geschillen over bijvoorbeeld de inhoud en interpretatie van de medezeggenschapsregelingen, advies- en instemmingsrechten, informatieverstrekking, faciliteiten etc. Ook kan de Commissie een rol spelen bij de ontbinding van een cliëntenraad. Ontbinding komt gelukkig tot nu toe weinig voor in de rechtspraak. Het moet namelijk gaan om structureel tekortschieten van een cliëntenraad. Daar is bijna nooit sprake van.

Een procedure kan bestaan uit bemiddeling (d.m.v. een gesprek met partijen) en/of zo nodig uit geschilbeslechting (d.m.v. een hoorzitting). Bij Geschilbeslechting staan er ongeveer 3 maanden voordat de bindende uitspraak komt.

Tegen een uitspraak of beslissing van de Geschillencommissie kan in beroep worden gegaan bij de Ondernemingskamer (Hof Amsterdam) binnen drie maanden.

Governance Commissie Zorg

Meningsverschillen of geschillen over goed bestuur en/of intern toezicht kunnen worden voorgelegd aan de Governance Commissie Zorg.

In 2006 hebben de brancheorganisaties NVZ, GGZ Nederland, ActiZ en VGN (samen met de NFU verenigd in de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) de Governancecode Zorg  als lidmaatschapsverplichting in hun statuten vastgelegd.

De Governancecommissie kan vaststellen of in een concreet geval de Governancecode Zorg wel of niet juist is toegepast. De Governancecommissie doet op grond hiervan uitspraak. Eventuele sancties vanwege het niet juist naleven van de Governancecode kunnen door de betrokken brancheverenigingen worden opgelegd. Een uitspraak moet leiden tot interne aanpassing van het bestuur en/of interne toezicht door de zorginstelling.

Als dat niet gebeurt, komt de betreffende brancheorganisatie in actie en gaat in gesprek met RvB en/of RvT van de betreffende zorginstelling (die lid is van de brancheorganisatie) om de governance aan te passen. Als dat onvoldoende gebeurt, kan de brancheorganisatie maatregelen nemen zoals bijvoorbeeld schorsing of royement van het lidmaatschap. Zorgorganisaties die lid zijn van een branchevereniging conformeren zich aan de Governancecode Zorg. Een uitspraak van de Governance Commissie is verder niet juridisch afdwingbaar. De kwestie en/of het niet navolgen van de uitspraak door de zorgorganisatie kan echter wel aanleiding zijn voor een bezoek door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Igj) en/of voor een enquêteprocedure

Omdat goed bestuur (governance) belangrijk is voor cliënten, is goed bestuur ook een belangrijk onderwerp voor (centrale) cliëntenraden.

De Enquêteprocedure Ondernemingskamer (Hof Amsterdam)

Wanneer je als (centrale) cliëntenraad verklaarbare twijfels hebt over goed beleid/bestuur van de zorgorganisatie en alle andere gesprekken en procedures hebben niet tot verandering/verbetering van die twijfel geleid, dan kun je, als uiterste maatregel, een Enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer (onderdeel van het Gerechtshof Amsterdam) aanvragen. Deze procedure houdt een onafhankelijk onderzoek naar mogelijk (financieel) wanbeleid in. Ook kan de (centrale) cliëntenraad de Ondernemingskamer vragen om (ingrijpende) maatregelen te nemen.

Als de Ondernemingskamer oordeelt dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, waarmee overigens nog geen wanbeleid is vastgesteld, worden één of meer onderzoekers (rapporteurs) benoemd. De onderzoekers hebben de nodige mogelijkheden om hun onderzoek goed te verrichten.

Twee fasen in de Enquêteprocedure:

De eerste fase van een Enquêteprocedure bestaat uit het vaststellen of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Deze fase begint met het (schriftelijke) bezwaar t.a.v. het beleid kenbaar te maken aan RvB en RvT door de cliëntenraad. De zorginstelling moet vervolgens een termijn worden gegund om de bezwaren van de cliëntenraad te onderzoeken en eventueel maatregelen te nemen. De Ondernemingskamer zal de zorginstelling ook in gelegenheid stellen een verweerschrift op te stellen. In deze fase bestaan mogelijkheden tot het treffen van voorlopige maatregelen door de Ondernemingskamer.

Na toewijzing van de eerste fase (dus wanneer blijkt dat er daadwerkelijk gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen) zal de Ondernemingskamer één of meer personen benoemen met bevoegdheden om onderzoek te doen naar het beleid (o.a. toegang tot de volledige administratie en de plicht tot medewerking). Na voltooiing van het onderzoek volgt een verslag en afhankelijk van de uitkomst of er wel of niet sprake is van wanbeleid, zal worden overgegaan tot de tweede fase.

De tweede fase gaat in wanneer er sprake is van wanbeleid. Er worden dan definitieve maatregelen getroffen. Die kunnen bestaan uit het schorsen of vernietigen van besluiten, het tijdelijk aanstellen van een (externe) bestuurder en/of toezichthouder, het tijdelijk afwijken van statuten etc.

Zoals gezegd, is een Enquêteprocedure een uiterste maatregel die niet vaak wordt aangevraagd en nog minder vaak daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De Meavita-uitspraak is één van de meest spraakmakende in de zorgsector.

Zie hier meer informatie over het Enquêterecht

Geschil met een spoedeisend belang

Een geschil met een spoedeisend belang is een versnelde procedure voor zaken met een spoedeisend belang, waarin de rechter op redelijk korte termijn uitspraak doet. Die uitspraak is een ordemaatregel. Een kort geding mag geen definitief oordeel vellen over een rechtsgeschil. Dat moet in de gewone bodemprocedure worden uitgemaakt, al dan niet met deskundigenrapporten, getuigenverhoren e.d. Het kost vaak vele maanden en soms zelf vele jaren voordat er een definitief oordeel ligt.

Het voordeel van het kort geding is dat het ‘geschil’ in een (zeer) kort tijdsbestek aan de rechter kan worden voorgelegd, waarbij de rechter een vonnis wijst. Daarmee wordt regelmatig een geschil beslecht dat anders via de reguliere geschillenprocedure maanden zou duren.

Bij een spoedprocedure kan een zaak al binnen twee weken worden behandeld op een zitting. Vaak volgt dan een week later de uitspraak al.

Niet elke kwestie leent zich voor een kort geding. De zaak moet niet al te ingewikkeld zijn. Er moet een spoedeisend belang zijn. Voorbeelden van zaken in de zorg met een spoedeisend belang zijn:

Kort geding door cliëntenraad tegen de organisatie i.v.m. het onterecht opdoeken van de cliëntenraad

Kort geding door cliëntenraad m.b.t. een soepelere bezoekregeling

Kort geding door verwanten m.b.t. sluiting van een verpleeghuis

Kosten rechtsbijstand

Bij een gang naar de landelijke Geschillencommissie kan een externe juridische adviseur een juridische analyse opstellen en een gefundeerd juridisch advies geven. Bijvoorbeeld over of het wel of niet zinvol is om naar de Commissie te gaan. De kosten voor deze juridische bijstand komen voor rekening van de instelling (voor zover deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn, redelijk zijn en de instelling er vooraf van in kennis is gesteld dat de kosten zullen worden gemaakt) (Art.6, lid 3, Wmcz 2018).

Als de cliëntenraad, eventueel mede op basis van bovenstaand juridisch advies, besluit het geschil inderdaad aan de landelijke Geschillencommissie voor te leggen en de cliëntenraad zou besluiten de betrokken externe juridische deskundige mee te nemen naar de zitting, zullen deze kosten (en ook de kosten van bijv. de voorbereiding van een pleitnotitie door de juridisch deskundige) niet door de instelling hoeven te worden vergoed, tenzij de instelling en de cliëntenraad vrijwillig anders hebben afgesproken. Kortom: de kosten voor het voorleggen van een geschil bij de Commissie komen in beginsel niet voor rekening van de zorginstelling.

De prikkel die hiervan uit moet gaan is het gesprek tussen beide partijen te stimuleren en te proberen via bemiddeling (zonder juristen) het geschil op te lossen waardoor juridisering wordt tegengegaan. Lukt dit echter niet en wordt er gekozen voor de gang naar de Commissie, ligt het voor de hand dat de organisatie deze kosten vergoed, als de organisatie zelf ook gebruik maakt van juridische bijstand in het geschil. Anders zou er sprake kunnen zijn van rechtsongelijkheid.

Uitzonderingen op deze regel

Er zijn een aantal uitzonderingen op bovenstaande regel over het niet-vergoeden van juridische ondersteuning/advies bij het voorleggen van een geschil aan de landelijke Geschillencommissie, namelijk:

-Wanneer de cliëntenraad de Commissie verzoekt uit te spreken dat een ongevraagd schriftelijk advies over een Instemmingsonderwerp (Art. 9, lid 4, Wmcz 2018) toch moet worden uitgevoerd omdat de zorginstelling het advies terzijde heeft geschoven.

-Wanneer de Zorginstelling een geschil of verzoek aan de Commissie voorlegt en de cliëntenraad zich in verband daarmee moet laten bijstaan door een juridische deskundige (dus wanneer de cliëntenraad optreedt als verweerder).

Het is raadzaam afspraken te maken over de kosten voor rechstbijstand in bovengenoemde gevallen in de Medezeggenschapsregeling. Anders moeten hier ten tijde van het geschil nog afspraken over worden gemaakt.

Ditzelfde geldt voor de kosten voor (juridische) bijstand in het geval van een gang naar de Governance Commissie Zorg. Ook hierover kunnen vooraf afspraken worden gemaakt in de Medezeggenschapsregeling.

Andere situaties

Als de uitspraak van de Commissie door de zorginstelling niet wordt nageleefd, dan kan de cliëntenraad de Ondernemingskamer verzoeken de instelling te bevelen de uitspraak na te leven (Art. 14, lid 8, Wmcz 2018). Deze kosten komen ten laste van de instelling (voor zover redelijkerwijs noodzakelijk en de instelling er vooraf van in kennis is gesteld dat dergelijke kosten zullen worden gemaakt).

Kosten die gepaard gaan met het indienen van een verzoek om een Enquêteprocedure, komen ten laste van de zorginstelling (indien deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn en de instelling er vooraf van in kennis is gesteld dat dergelijke kosten zullen worden gemaakt) (Art. 6, lid 5, Wmcz 2018).

Enkele tips

Leg de vergoeding van rechtsbijstand goed en duidelijk vast in de medezeggenschapsregeling!

Maak als cliëntenraad gebruik van een externe juridisch adviseur om een juridische analyse en advies op te stellen over of het zinvol is om naar de Commissie te gaan. Deze kosten worden immers vergoed. Maakt de cliëntenraad vervolgens de keuze om naar de Commissie te gaan, maar zonder de adviseur, omdat deze kosten niet worden vergoed, kan de eerder opgestelde analyse en het advies wel dienen als uitgangspunt en verweer bij de hoorzitting. Maak daar als cliëntenraad dus ‘handig’ gebruik van.

Maak voorafgaand aan het maken van de kosten voor rechtsbijstand, en dus tijdig, bij de RvB bekend, dat deze kosten zullen worden gemaakt. Een externe juridisch adviseur kan eventueel helpen bij de onderbouwing, waarom deze kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn. Een begroting van de te verwachten kosten, hoeft niet te worden meegezonden.

Podcast: Cliëntenraad en juridische geschillen; wie betaalt welke kosten?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen reactie's

Geef een reactie

NCZ